Op 30 juli 1591 viel het besluit om de Slag bij Bergen op Zoom te
vereeuwigen in een wandtapijt. Later volgden nog vijf wandtapijten waarvan vier over de strijd bij Fort Rammekens, Lillo, De Haak (noorden van Walcheren) en Zierikzee. Een Wapentapijt sloot de serie af in 1604 . Zeeland gebruikte de serie tot 1668 om het Prinsenlogement mee te versieren als de hoogheid op bezoek kwam. Daarna kregen ze een functie als decoratie van de Statenzaal tot ze in 1972 naar het Zeeuws Museum verhuisden.
“De visserij was in vroeger eeuwen terecht een vrije nering te noemen, iedereen kon vissen waar hij wilde zonder beperkingen. Er was wel een soort tol, een belasting die door het rijk was opgelegd. Vlissingen had in 1444 het recht gekregen een haringtol te heffen op alle haring die werd aangevoerd en verhandeld. Deze tol werd gebruikt om de havens, bruggen enz te onderhouden. Er kwamen meer regelingen in de loop der jaren, maar er was geen sprake van een echte reglementering. In Zeeland werd in 1707 een nieuwe maatregel van kracht. Vanaf dat moment, stelden de Zeeuwse Staten, mocht er in de Zeeuwse wateren alleen gevist worden door inwoners van Zeeland. Met Napoleon kwam er een verandering. Het recht van de Zeeuwse vissers werd aangetast, alle burgers van de Bataafse Republiek mochten nu ook op de Zeeuwse wateren oesters rapen of vissen. Pas in 1805 hadden de Zeeuwse vissers voor 150 gulden per jaar weer de wateren voor zichzelf. In 1820 kwam de visserij onder beheer van de Domeinen, maar de belangrijkste datum voor de Zeeuwen was 26 augustus 1925. Toen werd het Bestuur der Visscherijen op de Schelde en de Zeeuwsche Stromen opgericht met als doel de visserij te beschermen en te ontwikkelen. De Zeeuwse Stromen en de Schelde werden apart genoemd, pas in 1911 werd de Schelde ook tot de Zeeuwse Stromen gerekend.
Vissers in de ‘Zeeuwsche Stroomen’ vonden in vorige eeuwen regelmatig geheimzinnige bijvangsten in hun netten: de zogenoemde zwarte botten. Die gaven aanleiding tot allerlei speculaties. Het zouden botten van onderaardse monsters zijn, of resten van dieren van vóór de zondvloed. Of ze waren het bewijs van het bestaan van reuzen. Toen in juni 1874 dr. J.C. de Man een aantal beenderen kocht van vissers uit Arnemuiden, werd hiermee een belangrijke stap gezet voor de wetenschap. Zijn grote interesse voor alles wat met de anatomie te maken heeft, maakt hem tot één van de eerste paleontologen in Nederland. De Man is op velerlei gebied van grote betekenis voor het genootschap geweest. Met de aankoop, van onder meer een reuzendijbeen, het fossiele bot van een mammoet, werd een begin gemaakt met de omvangrijke en wetenschappelijk belangwekkende verzameling fossiele botten.
In 1830 verlegden de Zeeuwse vissers hun visgronden, en stapten ze over op een nieuw type boot. Daarna, eind vorige eeuw, nam de Werkgroep Paleontologie, de huidige Werkgroep Geologie, het initiatief om regelmatig op de Zeeuwse Stromen te vissen naar fossiele zoogdieren. De inmiddels traditionele jaarlijkse botten vistocht op de Westerschelde is voor paleontologen in Nederland en België steeds weer een spannende dag. Er wordt gevist in de Put van Terneuzen. Een deel van de vondsten gaat naar Naturalis.
De afgelopen vijftig jaar zijn er in de Zeeuwse stromen Westerschelde en Oosterschelde grote hoeveelheden fossielen opgevist. Het vissen naar fossielen is een unieke traditie in Zierikzee, een van de mosselstadjes in Zeeland. De manier waarop er hier fossielen worden verzameld is uitzonderlijk. Overal ter wereld worden fossielen opgegraven of uitgehakt, maar hier worden ze op een heel aparte manier gevonden: ze worden met netten van de zeebodem omhoog gehaald.
De Zeeuwse ondergrond bestaat uit dikke lagen marien sediment. In de bodem zitten zand- en kleipakketten waarin veel fossielen van mariene levensvormen te vinden zijn. Boven deze zand- en kleipakketten, op zo'n 40 à 50 meter diepte, bevindt zich een laag van continentale oorsprong, de formatie van Tegelen. Deze kleilaag dankt zijn naam aan het gelijknamige Noord-Limburgse plaatsje Tegelen (de Tiglienlaag), waar begin vorige eeuw al fossiele zoogdieren werden opgegraven in de kleigroeves. Onder Schouwen-Duiveland zit de Tiglienlaag te diep om erin te kunnen graven. De enige plekken waar je iets kan vinden bevinden zich onder water. In twee vijftig meter diepe geulen in de Oosterschelde, het Gastenputje en het Olifantenputje, komt de formatie van Tegelen aan de oppervlakte. De stroming van het water neemt de klei en zanddeeltjes uit het sediment mee en de zwaardere botten blijven op de bodem achter, klaar om opgevist te worden.
In de loop van vijftig jaar is een groot aantal verschillende zoogdieren uit de Oosterschelde opgevist. Hieruit kan worden opgemaakt dat er twee soorten olifanten leefden: de zuidelijke mammoet en de mastodont. De Oosterschelde is de belangrijkste vindplaats van kiezen van de mastodont ter wereld. Verder bestond de fauna uit twee soorten herten, paarden, varkens, hyena's en sabeltandtijgers. Het is niet helemaal duidelijk hoe lang geleden deze fauna hier leefde. Voorlopig gaat men ervan uit dat de fossiele fauna van de Oosterschelde een ouderdom heeft van 1.9 miljoen jaar.
Deze fauna wordt ook wel de 'zwartebottenfauna' genoemd, vanwege de kleur van de opgeviste botten. Door het fossilisatieproces verandert de samenstelling van een bot en wordt het donkerder. Dit kan onder zuurstofloze omstandigheden in korte tijd gebeuren. De kleur van de botten zegt echter alleen iets over het fossilisatieproces, niet over de ouderdom. Toch staat vast dat de botten uit de Oosterschelde oud moeten zijn. Ze zijn namelijk versteend, een proces waar honderdduizenden jaren overheen gaan. Als je met een hard voorwerp tegen een Oosterscheldebot tikt, hoor je een hoge klank, het bewijs dat de botten zwaar gemineraliseerd en dus oud zijn.